Wanneer de ogen niet op hetzelfde punt gericht zijn

Scheelzien (strabismus)

Scheelzien (strabismus) is een afwijking van de stand van de ogen, waarbij de ogen niet op hetzelfde punt gericht zijn.

Elk oog wordt aangestuurd door 6 oogspieren, 4 rechte oogspieren en 2 schuine oogspieren. Door een goede samenwerking tussen de oogspieren van beide ogen kunnen de ogen gecoördineerd kijken en staan ze recht. Deze aandoening kan zowel bij kinderen als volwassene voorkomen. Als het op volwassenleeftijd ontstaat, gaat dit vaak in combinatie met dubbelzien.

Klachten bij scheelzien

Ouders of verzorgers zijn vaak degene die hun kind naar de huisarts brengen met de klacht dat de ogen niet recht staan. Dit is een symptoom van scheelzien. Vaak is het zo dat een kind dat scheel ziet sterk begint te protesteren als zijn of haar goede oog wordt afgedekt. Op latere leeftijd kunnen ook klachten worden aangegeven als wazig zien en dubbelzien.

Kinderen met strabismus hebben zelf vaak geen klachten. Meestal wordt het opgemerkt door de ouders of verzorgers die via de huisarts of het consultatie bureau terecht komen bij een orthoptist en oogarts.

Als het scheelzien op latere leeftijd ontstaat wordt vaak eerst de klacht van dubbelzien aangegeven.

Risicofactoren

De oorzaak van scheelzien is niet altijd bekend. Factoren die het ontstaan van scheelzien kunnen bevorderen zijn:

  • Erfelijkheid
  • Aangeboren scheelzien
  • Een ongecorrigeerde brilsterkte
  • Gevolg van (infectie)ziekten
  • Een oogbewegingsstoornisemoties, schrik
  • Gevolg van een trauma

Onderzoek

Op het consultatiebureau worden de ogen volgens een vast onderzoeksprogramma nagekeken. Wanneer het consultatiebureau twijfelt aan de stand van de ogen of aan de kwaliteit van het zien sturen zij het kind door naar de oogarts of de orthoptist. De orthoptist kan al bij jonge kinderen onderzoek doen naar de stand en de samenwerking van de ogen. Ook worden de oogbewegingen onderzocht en wordt de gezichtsscherpte, indien mogelijk, oog voor oog bepaald. De ogen worden gedruppeld om de brekingsafwijking te bepalen. Ook wordt er gekeken naar de gezondheid van de ogen.

Deze onderzoeken zijn nodig om te bepalen of er inderdaad sprake is van scheelzien, wat de gevolgen zijn en welke behandeling nodig is.

Behandeling

De behandeling van scheelzien en/of van een lui oog kan een langdurig proces zijn. Afhankelijk van de oorzaak van het scheelzien wordt bepaald welke behandeling het meest geschikt is. De behandeling kan bestaan uit:

  • Het voorschrijven van een bril
  • Oefeningen
  • Een oogspieroperatie
  • Prismacorrectie

Indien scheelzien gepaard gaat met een lui oog wordt eerst het luie oog behandeld, voordat de eventuele oogspiercorrectie wordt uitgevoerd. Bij al deze behandelingen zijn regelmatige controles nodig om de resultaten te kunnen vaststellen.

Bij een deel van de scheelziende patiënten moeten de ogen worden ‘rechtgezet’ door middel van een operatie. Het doel van de deze operatie is per persoon verschillend: het bereiken van een cosmetisch rechte oogstand, het opheffen of verminderen van klachten (zoals dubbelzien of hoofdpijn) of het behouden van de onderlinge samenwerking tussen de ogen.

De orthoptist bepaalt de mate van het scheelzien (de scheelzienshoek). Er wordt vervolgens een oogspieroperatie verricht, waarbij de oogspieren die aan de buitenkant van de oogbol vastzitten, verzwakt of versterkt worden door ze te verplaatsen of in te korten. Dit kan aan één of beide ogen gebeuren. De orthoptist en de oogarts bekijken een week voor de operatie welke spier of spieren verplaatst moeten worden. Aan jonge kinderen wordt altijd algehele narcose gegeven.